Je dacht misschien dat het wachten was tot de volgende generatie was geboren: slimme, mensachtige robots die de klusjes in huis overnemen of je helpen op kantoor. AI wordt elk jaar beter, dus wanneer staan ze voor de deur? Helaas is het antwoord, na een grote Europese conferentie over humanoids, een stuk minder optimistisch dan de marketing doet vermoeden.
Terwijl je de nieuwste taalmodellen zoals ChatGPT razendsnel ziet evolueren, blijkt de vertaling van slimme software naar een fysieke, bekwame ‘body’ een nachtmerrie voor ingenieurs. We staan nog mijlenver van de algemene robot die je in de Nederlandse supermarkt kunt kopen. Dit is waarom die droom nu nog even moet wachten.
De digitale sprong naar de fysieke wereld
De snelle opmars van Artificiële Intelligentie leek de deur wijd open te zetten voor humanoïden. Het idee is simpel: AI is de hersenen, de robot is het lichaam. Maar het echte probleem draait niet om hoe goed de robot kan praten, maar hoe goed hij kan voelen en handelen in de echte wereld.
Specialisten spreken van ‘embodied AI’, wat precies inhoudt dat de software in de fysieke realiteit moet functioneren. Dit vergt begrip van balans, aanraking, ruimte en continue aanpassing. Iets wat wij, met onze menselijke zenuwstelsels, moeiteloos doen, maar machines nog nauwelijks.

Het grote tekort: behendigheid en tastzin
Denk eens aan de complexiteit van het oppakken van die simpele boterham die net iets te zacht is, of het navigeren door de drukte op de Overtoom in Amsterdam. Je hersenen passen dit onbewust aan. Robots hebben hier serieuze moeite mee.
Onderzoekers die zich bezighouden met haptica – de technologie van aanraking – geven aan dat het niet de uiterlijke vorm is die ze tegenhoudt. Het is het vermogen om de wereld waar te nemen zoals jij dat doet, met die nuance en precisie.
- Menselijke behendigheid vereist complexe neurologische processen.
- Robots falen vaak bij onvoorspelbare, alledaagse interacties.
- Leren van fouten in de fysieke ruimte is nog onvoldoende geïntegreerd.
Disney laat zien wat wél kan (en wat niet)
Uitzonderingen zijn er, vooral in de entertainmentsector. Ik zag dat Disney recentelijk een looprobot van Olaf (uit Frozen) presenteerde die volgend jaar in de parken moet verschijnen. Dat is technisch zeer knap en zeker leuk voor de bezoekers in Parijs of Hong Kong.
Maar dit zijn gespecialiseerde robots, geprogrammeerd voor een vaste omgeving en vaste taken. Wat we echt willen – de robot die je mee kunt nemen op een campingvakantie of die de vaatwasser in jouw keuken kan uitruimen – blijft de verre droom. Deze robots met ‘algemene doeleinden’ zijn nog sciencefiction.

De sceptische kijk van de pioniers
Het is niet alleen de complexiteit die vertraagt; de topmensen in het veld zijn ronduit kritisch. Rodney Brooks, een pionier van iRobot (bekend van de Roomba), schreef onlangs een essay waarin hij stelde dat de huidige generatie humanoïden nooit echt lenig zal worden, hoe hard we ook investeren.
Zijn punt, dat luid en duidelijk werd gedeeld op het recente forum in Silicon Valley, is confronterend: miljarden dollars lijken dit fundamentele probleem van fysieke adaptatie niet op te lossen.
Wat je nu al kunt doen
Hoewel je nog geen mensachtige butler thuis hebt, helpt het om anders naar de huidige AI te kijken. Zie taalmodellen als de basis, maar verwacht nog geen fysieke hulpkracht.
Tip: Focus op het ‘digitale klusjesman’-aspect. Gebruik de huidige AI-tools (zoals die voor planning, samenvatten of schrijven) optimaal. Die zijn er al en werken op dit moment in je voordeel. Wacht met het verwachten dat ze je zolder opruimen.
Het is duidelijk: de robots zijn slim, maar nog struikelblokken. Wat denk jij? Welke simpele dagelijkse taak moet een robot absoluut kunnen voordat jij hem serieus zou overwegen in huis?