Het klinkt als een slechte grap, maar de realiteit is schrijnend: in onze regio zijn er 725 ernstig bedreigde flora- en faunasoorten. Volgens de wet moeten er al jaren beschermingsplannen liggen – voor planten sinds 2008, voor dieren sinds 2023. Wat blijkt? Voor de flora is er niets, en voor de fauna slechts een handjevol plannen. Je zou denken dat we de lessen geleerd hebben, maar ik zie keer op keer dat we ‘de laatste van de klas’ zijn.
Dit is geen abstract probleem voor de wetenschap; dit raakt direct aan de biodiversiteit die we dagelijks zien verdwijnen. Terwijl andere regio’s al twee decennia bezig zijn met herstel, lopen wij achter de feiten aan. Het is tijd om te kijken wat dit gebrek aan actie nu écht betekent voor kwetsbare soorten en waarom de overheid nu een radicaal andere strategie aankondigt.
De schokkende nulmeting: Wat betekent 'geen plan'?
Als je hoort dat ergens een bedreigde diersoort leeft, neem je automatisch aan dat er een vangnet is. Helaas. Het ontbreken van een officieel plan betekent dat de bescherming stokt bij de initiële aanwijzing. Het is alsof de brandweer de brand weet, maar geen blusmiddelen heeft klaargelegd.
Het falen van de specialistische aanpak
Wij stonden ooit bekend als koplopers in botanisch onderzoek. Nu zijn we blijkbaar de enigen die geen uitvoerbaar beleid hebben voor de soorten die we zelf hebben geïdentificeerd. De logica van 'één plan per soort' is nu definitief overboord gegooid. De overheid erkent de achterstand en kiest voor een 'alles-of-niets'-benadering.
Marc Vilahur, directeur Milieu en Natuurbeleid, legt uit dat men nu overstapt op 'multi-soortsplannen'. Het idee? Bescherm een heel leefgebied tegelijk, zodat je in één klap tientallen soorten helpt.

- De eerste plannen focussen op kwetsbare kustduinen en steile bergrivieren.
- Het doel is om met ongeveer 30 tot 40 overkoepelende plannen álle 725 soorten te dekken.
- De rest moet vóór 2027 afgerond zijn. Dat is krap.
Fantoombescherming: De Silene ramosissima
Terwijl beleidsmakers plannen maken, verdwijnen de planten in het veld. Ik kwam een voorbeeld tegen dat dit mooi illustreert: de Silene ramosissima. Deze plant komt slechts voor op een paar duinen bij Salou, direct naast een openbare parkeerplaats.
Zonder een formeel herstelplan is er **geen restrictie op toegang**. Niemand bewaakt die paar overgebleven plantjes. Niemand heeft er zelfs een paaltje neergezet om aan te geven: kijk uit, hier loopt de laatste generatie.
De kustgebieden en laaglandmoerassen zijn sowieso kritiek. Drooglegging van meren en transformatie van grondgebied hebben hier al veel flora het graf in gejaagd. Tel daar de klimaatverandering bij op, en planten op grotere hoogte hebben letterlijk geen kant meer op.
De noodoplossing: Zadenkisten als onzichtbare reddingslijn
Gelukkig zijn er achter de schermen mensen die de urgentie wel voelen. Zij werken niet aan beleid, maar aan DNA. In de kluizen van de Botanische Tuin van Barcelona wordt een Zadenbank beheerd die bijna 1.800 soorten bewaart.

Stel je voor: in die koelkasten liggen de laatste hoop op overleving van de bedreigde soorten uit de bergen en de kust. Miriam Aixart en haar team zijn de archeologen van de plantenwereld. Ze moeten de zaden onder de juiste omstandigheden oogsten—soms moeten ze eerst een winter onder het ijs of een periode van intense hitte overleven om überhaupt te kunnen ontkiemen.
Dit is geen kwestie van zaaien; dit is complexe biotechnologie. Voor sommige planten is dit letterlijk de enige resterende vertegenwoordiger van hun soort.
De kwekerijen die wél actie ondernemen
Buiten de wetenschappelijke banken zijn er ook gespecialiseerde kwekers, zoals de Tres Turons Kwekerij, die zich volledig richten op aquatische planten in ernstige nood. Als ze horen dat er nog een paar exemplaren van een bedreigde waterplant zijn, gaan ze eropaf—met de nodige vergunningen natuurlijk.
Ze kweken daar tientallen stekken op om ze later weer in het wild terug te plaatsen. Ze hebben onlangs een groot succes geboekt met de Hydrocotyle vulgaris, een inheemse waterplant waarvan er eerst nog maar twee verspreide exemplaren over waren in de regio. Nu staan er al tientallen nieuwe plantjes in het Montgrí Natuurpark.
Dit contrast—trage overheid versus snelle wetenschap—is precies wat onze aandacht verdient. Want als we over tien jaar pas plannen maken voor de flora, hebben we misschien alleen nog maar zaden in de koelkast en lege duinen.
Wat denk jij: moeten we de focus op individuele soortbescherming loslaten, zoals de overheid nu doet, of is een plan per soort de enige manier om écht te garanderen dat geen enkele soort over het hoofd wordt gezien?