Denk je dat je alles weet over de prehistorie? Denk nog eens na. Wat als ik je vertelde dat de 'alleslijm' van onze steentijdvoorouders – berkenpek – fungeert als een microscopische tijdcapsule, vol met hun erfelijk materiaal?

Recente ontdekkingen op archeologische vindplaatsen, vooral rond de Alpenmeren, hebben wetenschappers versteld doen staan. Het teerachtige spul dat men gebruikte om stenen bijlen vast te zetten, bevat verrassend veel DNA. En dit DNA vertelt ons niet alleen wat ze aten, maar ook wie welke klusjes deed.

De ontdekking: Teer is meer dan alleen lijm

Berkenpek, dat zwarte, kleverige goedje, was in de Steentijd de lijm, de kneedpasta en misschien zelfs de eerste kauwgom. Het is verrassend eenvoudig te maken: laat berkenbast smeulen tussen 200 en 500 graden Celsius bij stenen of botten. De condensatie levert het perfecte hechtmiddel op.

Maar het werd pas écht interessant toen onderzoekers van o.a. de Universiteit van Kopenhagen en de Universiteit van York monsters onderzochten. Ze analyseerden dertig monsters berkenpek uit het Neolithicum. Wat ze vonden, was een soort biologisch archief.

Geheime DNA in oeroude teer onthult wie de gereedschappen maakte en wat ze aten - image 1

Wat de pijlpunten ons vertellen over het dieet

Eén van de meest verrassende feiten kwam van een pijlspits uit Zwitserland. In het pek aan dit wapen vonden de wetenschappers sporen van snoek en karper. Dit suggereert dat moderne jachttechnieken niet nodig waren: onze voorouders waren blijkbaar ook bekwame vissers met hun pijl en boog, een detail dat vaak over het hoofd wordt gezien als men alleen naar landdieren kijkt.

Daarnaast vonden ze sporen van gekweekte gewassen in pek dat aan keramiek vastzat, zoals erwten en wikke. Maar nog belangrijker: ze vonden zaden van lijnzaad en slaapbol (klaproos). Dit impliceert dat men niet alleen de zaden at, maar misschien de sap van de kapsels als psychoactieve stof verwerkte. Stel je voor: een Steentijd-smoothie met een mild slaapmutsje.

De kauwgom-theorie: Waarom kauwden ze erop?

Nu komt het menselijke element. De onderzoekers ontdekten in sommige klonten pek sporen van menselijke mondflora. Ze hadden het letterlijk gekauwd! Waarom zou je op teer kauwen? Twee theorieën:

  • Het werd zachter en makkelijker te verwerken als kneedbaar materiaal.
  • Omdat berkenpek antimicrobiële eigenschappen heeft, was het misschien een vroege vorm van mondhygiëne, functionerend als een soort medische kauwgom.

Wat de onderzoekers ook zagen, was dat het DNA in de gekauwde brokjes vaak zowel mannelijk als vrouwelijk was. Berkenpek reisde van mond tot mond. Dat is best fascinerend, toch? Het toont aan hoe gedeelde middelen functioneerden in die kleine gemeenschappen.

Geheime DNA in oeroude teer onthult wie de gereedschappen maakte en wat ze aten - image 2

Geslachtsspecifieke klussen in de prehistorie?

De analyse van het DNA in bewerkte voorwerpen leverde een potentieel patroon op, hoewel het onderzoek nog in de kinderschoenen staat. Als het pek werd gebruikt om gereedschappen te voorzien van een handvat (schacht), dan kwam het DNA overwegend van **mannelijke individuen**. Dit wijst op gespecialiseerd manueel werk.

Maar als ze beschadigde potten repareerden met het pek, was het DNA vaker afkomstig van vrouwen. Dit zou kunnen duiden op een traditionele taakverdeling, waarbij mannen de jachtgereedschappen maakten en vrouwen voor de huishoudelijke reparaties zorgden.

Natuurlijk is het aantal monsters nog te klein om hier harde conclusies uit te trekken. Bovendien kan hitte de sporen vernietigd hebben als gerepareerde potten direct weer als kookvat werden gebruikt – iets wat we in moderne Nederlandse keukens ook niet snel zouden vermijden.

Dit onderzoek laat zien dat een 'simpel' stukje berkenpek een venster is op de eetgewoonten en de arbeidsverdeling van mensen die 10.000 jaar geleden leefden. Het is de ultieme biologische forensiek.

Wat denk jij dat er nog meer verborgen zit in die oeroude lijmklonten? Laat het weten in de comments!